Zien en gezien worden op en langs de baan

Ze komen elkaar dagelijks tegen: machinisten op de trein en baanwerkers langs het spoor. Ze hebben allemaal oog voor hun eigen veiligheid en die van de ander. Zien en gezien worden, noemen we dat. Maar hoe communiceer je daarover?

Het woord communicatie komt van het Latijnse woord communicare: iets gemeenschappelijk maken. Formeel gezegd: een activiteit waarbij levende wezens betekenissen uitwisselen door op elkaars signalen te reageren. Maar tussen machinisten op de trein en baanwerkers langs het spoor is eerder sprake van “mono-communicatie”, vindt Seyf Karabocek, baanmedewerker bij VolkerRail. Hij pleit voor “stereo-communicatie”.

‘De regels schrijven voor dat een veiligheidsfunctionaris langs de baan bij een naderende trein zijn hand opsteekt’, vertelt Karabocek. ‘Ten teken dat ik ‘m gezien heb. Maar ik krijg zelden een teken terug. Dat irriteert me al jaren, want ik weet dan niet of ik gezien ben. Temeer omdat ik volgens de regels mijn hand omhoog moet houden tot de trein is gepasseerd. Zo heb ik wel eens minutenlang met mijn hand omhoog gestaan bij een trein die voor een rood sein stond. Ik zou zeggen: geef dan even een signaal dat je mij ook gezien hebt. Dan kan ik tenminste mijn arm laten zakken. Communiceren doe je tenslotte met elkaar, niet alleen.

Diverse machinisten zwaaien wel terug, maar dat ziet de veiligheidsman pas wanneer de trein hem zo’n ongeveer passeert. Laat dus. Karabocek ziet dit meer als een beleefde groet, niet als veiligheidssignaal. Hij zou liever eerder al eerder een seintje ontvangen, een lichtsignaal. Dat geeft mij een goed gevoel. Zien en gezien worden, daar gaat het om.’

Het woord communicatie komt van het Latijnse woord communicare: iets gemeenschappelijk maken. Formeel gezegd: een activiteit waarbij levende wezens betekenissen uitwisselen door op elkaars signalen te reageren. Maar tussen machinisten op de trein en baanwerkers langs het spoor is eerder sprake van “mono-communicatie”, vindt Seyf Karabocek, baanwerker bij VolkerRail. Hij pleit voor “stereo-communicatie”.

‘De regels schrijven voor dat een veiligheidsfunctionaris langs de baan bij een naderende trein zijn hand opsteekt’, vertelt Karabocek. ‘Ten teken dat ik ‘m gezien heb. Maar ik krijg zelden een teken terug. Dat irriteert me al jaren, want ik weet dan niet of ik gezien ben. Temeer omdat ik volgens de regels mijn hand omhoog moet houden tot de trein is gepasseerd.

Zo heb ik wel eens minutenlang met mijn hand omhoog gestaan bij een trein die voor een rood sein stond. Ik zou zeggen: geef dan even een signaal dat je mij ook gezien hebt. Dan kan ik tenminste mijn arm laten zakken. Communiceren doe je tenslotte met elkaar, niet alleen.

Diverse machinisten zwaaien wel terug, maar dat ziet de veiligheidsman pas wanneer de trein hem zo’n ongeveer passeert. Laat dus. Karabocek ziet dit meer als een beleefde groet, niet als veiligheidssignaal. Hij zou liever eerder al eerder een seintje ontvangen, een lichtsignaal. Dat geeft mij een goed gevoel. Zien en gezien worden, daar gaat het om.’

Seyf Karabocek, baanwerker bij VolkerRail.

Attentiesignaal

Machinist John Foxen geeft bij het naderen van baanwerkers naar eigen zeggen altijd een lichtsignaal. ‘Om twee redenen’, zegt hij. ‘In de eerste plaats in het belang van de veiligheid, want hiermee geef ik aan dat ik ze gezien heb. In ten tweede plaats vanwege het intermenselijke contact. We zijn tenslotte allemaal spoormensen.’

Overigens waren er vroeger andere regels rond de signalering. Toen gaven machinisten een attentiesignaal met de claxon om baanwerkers te waarschuwen dat ze er aan kwamen. Foxen: ‘Dat kan echter leiden tot een bepaald verwachtingspatroon, waarbij baanwerkers pas attent worden als ze het geluid van de claxon hebben gehoord. Maar stel nu dat de machinist ze niet heeft gezien, bijvoorbeeld omdat hij net even een boterham uit zijn tas pakt? Dat kan tot ongelukken leiden. Daarom doen we dit nu niet meer.’

Nou ja, niet meer… Formeel is het attentiesignaal in de vorm van een lange matige toon nog altijd verplicht, maar alleen wanneer de machinist constateert dat hij nog niet gezien is door de spoorwerkers. NS-machinist Ron Christiaanse: ‘Ik knipper altijd met de frontseinen. Maar als ik geen hand omhoog zie gaan, maak ik geluid. Want zien en gezien worden kan natuurlijk ook andersom. Dus dat ik als eerste aangeef dat ik ze heb gezien. Het maakt mij eigenlijk helemaal niet uit wie wie als eerste ziet. Zolang we elkaar maar laten weten dat we elkaar hebben gezien. We hebben immers een gezamenlijk belang, en dat is de spoorwegveiligheid.’

Bewustwording

Karabocek, Foxen en Christiaanse zijn alle drie lid van de in totaal achttien leden tellende Werkgroep Spoorwegveiligheid van FNV Spoor. De leden zijn afkomstig uit alle mogelijke spoorbedrijven en –geledingen.

Het was Karabocek die het onderwerp “communicatie in de baan” bij de werkgroep op tafel heeft gelegd, en het waren vervolgens de leden gezamenlijk die het hebben opgepakt. Werkgroep-voorzitter Foxen hierover: ‘Voorheen was de aanpak dat we rond zo’n onderwerp één of meer bijeenkomsten organiseerden, of dat we er een brief over schreven naar NS of ProRail. Maar nu doen we het anders. We maken er een bewustwordingscampagne van. We besteden er aandacht aan in de vorm van dit artikel in ons eigen FNV Spoor Magazine, we plaatsen berichten hierover op de publicatieborden in de personeelsverblijven, we praten er over met collega’s… dat soort dingen. Het afgeven van signalen verplicht stellen voor machinisten vinden we geen optie. Dan dreigt het gevaar dat mensen hun hakken in het zand gaan zetten. Bovendien: als je het vergeet, dan handel je opeens in strijd met de regels. Dus als je het verplicht, dan wordt het al snel weer zo’n ding. ’ Lees onder onderstaande foto verder.

Ook Co Jansen, inspecteur bij ProRail is geen voorstander van verplichten. ‘En van een verplicht geluidsignaal al helemaal niet. Als we dat gaan doen, wil er geen burger meer in de buurt van een spoorlijn wonen. Bovendien wekt toeteren (thyphoneren) een verkeerde indruk. ProRail krijgt veel meldingen van mensen die menen dat er een bijna-aanrijding heeft plaatsgevonden, omdat een trein claxonneerde.’

Jansen is eveneens lid van de Werkgroep Spoorwegveiligheid én ervaringsdeskundige. Als “bevoegd alleengaande” gaat hij regelmatig – alleen dus – langs de baan voor het uitvoeren van inspecties aan het spoor. ‘Dat gebeurt lang niet altijd alleen bij buitendienstellingen’, zegt hij. ‘Spoorbruggen bijvoorbeeld moéten zelfs belast geschouwd worden met de normale baanvaksnelheid en belasting, om vast te stellen dat alles goed functioneert. Dat gebeurt overdag, omdat er dan het beste licht is.’

Komt er een trein aan, dan stapt Jansen naast de baan naar een veilige plek (wijkplaats) en steekt hij zijn hand op om de machinist aan te geven dat hij hem heeft gezien. ‘Dat vind die machinist ongetwijfeld prettig om te weten. Maar andersom vind ik het ook prettig als de machinist eveneens een teken geeft dat hij mij heeft gezien. Dit voor onze wederzijdse veiligheid, maar ook voor het intermenselijke contact. Wederzijdse communicatie dus als mooie stap in de belevingswereld van beide partijen.’

Co Jansen, inspecteur bij ProRail

Knipoogje

Volgens Karabocek lijkt een lichtsignaal – een ‘knipoogje’ van de trein, zoals hij het zelf noemt – de beste oplossing. ‘Want wat mij betreft spreken we in ieder geval wel iéts af. Inderdaad, zoals John Foxen zegt niet als verplichting, maar als een soort leidraad voor positief gedrag op en langs de baan. Daarom zou ik het toejuichen als het onderwerp zien en gezien worden ook al besproken zou worden tijdens de machinistenopleiding.’

Hij is overigens blij dat dit onderwerp door de complete Werkgroep Spoorwegveiligheid wordt gedragen. ‘Het vraagstuk speelt spoorwegbreed. In de werkgroep zitten FNV-kaderleden die werken bij de verschillende spoorvervoerders – reizigers én goederen, bij de onderhoudsbedrijven, bij ProRail én bij NedTrain. Die hebben er allemaal mee te maken: zien én gezien worden. Deze werkgroepleden zijn onze ambassadeurs om het onderwerp binnen hun eigen bedrijf en sector aan de orde te stellen.’